Genesis 10HTB2007

1Dit zijn de nakomelingen van Sem, Cham en Jafeth, de drie zonen van Noach, want na de watervloed werden hun zonen geboren.

2De zonen van Jafeth waren Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras.

3De zonen van Gomer waren Askenaz, Rifath en Togarma.

4De zonen van Javan waren Elisa, Tarsis, de Kittieten en de Dodanieten.

5Hun nakomelingen werden de zeevaarders, die langs de kust wonen en ieder een eigen taal hebben.

6De zonen van Cham waren Kusch, Mizraïm, Put en Kanaän.

7De zonen van Kusch waren Seba, Havila, Sabta, Raëma en Sabtecha.

8De zonen van Raëma waren Scheba en Dedan. Eén van de nakomelingen van Kusch heette Nimrod. Hij werd een machtig man op aarde, een koning.

9Hij was een geweldig jager, gezegend door de HERE. De naam Nimrod werd een begrip voor de mensen. Zij zeiden: "Hij is een Nimrod", waarmee dan werd bedoeld dat iemand een geweldenaar was.

10De basis van zijn koninkrijk waren de steden Babel, Erech, Akkad en Kalne in het land Sinear

11Van daaruit trok hij naar Assur en bouwde daar Ninevé, Rehoboth-Ir, Kalah en Resen. Die laatste stad lag tussen Ninevé en Kalah en was de belangrijkste stad van het rijk.

12***

13Mizraïm was de voorvader van de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuhieten, de Pathrusieten, de Kasluhieten, waaruit de Filistijnen zijn voortgekomen en de Kaftorieten.

14***

15Kanaäns oudste zoon heette Sidon en diens broer heette Heth. De volgende volken zijn afstammelingen van Kanaän: de Jebusieten, de Amorieten, de Girgasieten, de Hevieten, de Arkieten, de Sinieten, de Arvadieten, de Zemarieten en de Hamathieten. De nakomelingen van Kanaän verspreidden zich van Sodom, Gomorra, Adama en Zeboïm tot Lasa.

16***

17***

18***

19***

20Al deze volken, die zich overal verspreidden en veel verschillende talen spraken, waren nakomelingen van Cham.

21Heber was een afstammeling van Sem, de oudste broer van Jafeth.

22Hier volgen de zonen van Sem: Elam, Assur, Arpachsad, Lud en Aram.

23De zonen van Aram waren Uz, Hul, Gether en Mas.

24De zoon van Arpachsad heette Selah en diens zoon heette Heber.

25Heber kreeg twee zonen: Péleg (dat betekent Verdeeldheid; tijdens zijn leven verdeelde God de talen van de mensen) en Joktan.

26Joktan was de vader van Almodad, Selef, Hazarmaveth, Jarah, Hadcram, Uzal, Dikla, Obal, Abimaël, Scheba, Ofir, Havila en Jobab. De afstammelingen van Joktan leefden in het gebied tussen Mescha en het in het oosten gelegen gebergte van Sefar.

27***

28***

29***

30***

31Al deze mensen waren afstammelingen van Sem, verdeeld per geslacht, taal, land en volk.

32Dit was het geslachtsregister van Noach en zijn zonen. Door de geslachten heen verspreidden hun afstammelingen zich over de aarde en vormden zo de volken.

Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®

Choose Translation

Switch translation for Genesis 10.

Reading Settings

Paragraph viewDisplay verses as flowing paragraphs instead of individual lines
Show verse numbersDisplay verse numbers inline
Red letterHighlight the words of Christ in red

Sign in to save your reading preferences across sessions.