1Twee dagen later waren Jezus en Zijn discipelen op een bruiloft in het dorp Kana in Galilea. Jezus' moeder was er ook.
2***
3Op zeker ogenblik raakte de wijn op. Jezus' moeder hoorde het en ging het Hem vertellen.
4"Laat Mij met rust," antwoordde Hij. "Het is mijn tijd nog niet."
5Zijn moeder zei tegen de bedienden: "Doe wat Hij u zegt."
6Er stonden zes grote aarden kruiken, elk met een inhoud van zo'n honderd liter. Die werden bij bepaalde gelegenheden met water gevuld, zodat men zich volgens de Joodse voorschriften kon wassen.
7Jezus zei tegen de bedienden: "Vul al die kruiken met water."
8Toen zij dat gedaan hadden, zei Hij: "Schep er nu wat uit en laat de ceremoniemeester ervan proeven." Zij gaven ervan aan de ceremoniemeester,
9die niet wist wat er gebeurd was. Hij proefde van het water dat wijn was geworden en riep de bruidegom.
10Hij zei tegen hem: "Wat een lekkere wijn! Hoe is het mogelijk! Iedereen schenkt eerst de goede wijn en als de mensen genoeg gedronken hebben pas de minder goede. Maar u hebt de beste wijn voor het laatst bewaard."
11Zo liet Jezus in Kana in Galilea voor het eerst zien wie Hij was. Daar toonde Hij Zijn grootheid en Zijn discipelen geloofden in Hem.
12Hierna ging Hij met Zijn moeder, broers en discipelen naar Kapernaüm, maar zij bleven daar niet lang.
13Weldra zou het Joodse Paasfeest beginnen. Daarom vertrok Jezus naar Jeruzalem.
14Op het tempelplein zag Hij handelaars die runderen, schapen en duiven verkochten en geldwisselaars die achter hun tafeltjes zaten.
15Hij knoopte een paar stukken touw aan elkaar en joeg hen daarmee met hun dieren de tempel uit. Het geld van de wisselaars gooide Hij op de grond en hun tafeltjes gooide Hij omver.
16Tegen de duivenverkopers zei Hij: "Eruit! Het huis van mijn Vader is geen markt!"
17Dit herinnerde de discipelen aan wat er geschreven is: "Ik wil alles doen voor de eer van Uw huis." (A)
18De Joden namen dit niet. "Hoe durft U! Bewijs maar eens dat U dit mag doen!"
19"Breek deze tempel af", zei Jezus. "En in drie dagen zal Ik hem weer opbouwen."
20"Wat!" riepen de Joden. "Er is 46 jaar aan deze tempel gewerkt en U zou er in drie dagen mee klaar zijn?"
21Maar Jezus sprak niet over de tempel! Hij bedoelde Zijn eigen lichaam.
22Later, toen Hij uit de dood was teruggekomen, herinnerden Zijn discipelen zich dat Hij dit gezegd had. Het klopte precies met wat er in de Boeken staat.
23Door de wonderen die Jezus tijdens het Paasfeest in Jeruzalem deed, gingen veel mensen in Hem geloven.
24Maar Hij bleef terughoudend, omdat Hij de mensen door en door kende.
25Niemand hoefde Hem te vertellen hoe gemakkelijk mensen van gedachten kunnen veranderen.