John 1HTB2007

1In het allereerste begin was Christus (A) er al. Hij was bij God en was Zèlf God.

2***

3Alles ontstond door Zijn Woord. Zonder Hem is niets ontstaan; al het bestaande heeft Hij gemaakt.

4In Hem is eeuwig leven en dat leven is het licht voor de mensen.

5Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in zijn macht kunnen krijgen.

6God stuurde Johannes om de mensen ervan te overtuigen dat Jezus Christus het licht is. Het was zijn taak de mensen tot geloof te brengen.

7***

8Johannes was zelf niet het licht maar iemand die over het licht vertelde.

9Want het echte licht, dat is Christus (B), kwam in de wereld om iedereen te verlichten.

10Christus kwam in de wereld die door Hem Zelf gemaakt is, maar de wereld wilde niets van Hem weten.

11Hij kwam in Zijn eigen land, maar Zijn eigen volk heeft Hem niet aanvaard.

12Maar allen die Hem wel aanvaard hebben, heeft Hij het recht gegeven kinderen van God te worden.

13Door geloof in Zijn naam worden zij opnieuw geboren, natuurlijk niet als mens, maar geestelijk uit God.

14En Christus (A) kreeg een menselijk lichaam en leefde bij ons hier op aarde. Hij was vol vergevende liefde en waarheid. Wij hebben gezien hoe groot en machtig Hij is, de enige Zoon van de hemelse Vader.

15Johannes was Zijn getuige, die zei: "Ik heb gezegd dat er na mij Iemand zou komen, Die er eerder was dan ik. Hij was er al voordat ik geboren werd."

16Omdat Christus zo oneindig veel heeft, hebben wij zoveel gekregen. Hij heeft ons met het goede overladen.

17In de wet van Mozes is ons al verteld wat wij wel en niet moeten doen. Maar Jezus Christus bracht ons genade en waarheid.

18Geen mens heeft God ooit gezien. Maar Zijn enige Zoon, Jezus Christus, Die één met Hem is, heeft ons laten zien wie God is.

19De Joodse leiders stuurden priesters en tempeldienaars naar Johannes om te vragen wie hij was.

20"Ik ben de Christus niet", vertelde hij hun.

21"Wie dan wel?" vroegen zij. "Elia?" "Nee", antwoordde hij. "Bent u dan de profeet die komen zou?" was hun volgende vraag. "Ook niet", zei Johannes.

22"Maar wie bent u dan? Zeg het alstublieft, anders kunnen wij niet eens antwoord geven aan de mensen die ons gestuurd hebben."

23Hij zei: "Ik ben iemand die in de woestijn roept: 'Maak de weg vrij voor de Here!' De profeet Jesaja heeft dit voorspeld." (C)

24Er stonden ook enkele Farizeeërs bij,

25die vroegen: "Als u de Christus niet bent en ook niet Elia of de profeet, waarom doopt u dan?"

26Hij antwoordde: "U weet dat ik mensen met water doop. Maar temidden van u staat Hij Die u nog niet kent.

27Hij zal na mij prediken; Hij is zo belangrijk dat ik het zelfs niet waard ben om Zijn schoenen vast te maken."

28Dit gebeurde in Bethanië aan de overkant van de rivier de Jordaan, de plaats waar Johannes mensen doopte.

29De volgende morgen zag hij Jezus aankomen. "Kijk", riep hij. "Het offerlam van God! Hij neemt de schuld van de wereld op Zich.

30Hem bedoelde ik toen ik zei: 'Na mij komt Iemand Die er eerder was dan ik. Want Hij was er al voordat ik geboren werd.'

31Ik kende Hem nog niet, maar ik ben gekomen om de mensen met water te dopen om Hem aan Israël bekend te maken.

32Ik heb de Heilige Geest als een duif uit de hemel zien komen en Hij bleef op Jezus.

33Toen wist ik nog niet dat Hij het was. Maar God had tegen mij gezegd: 'Op wie u de Heilige Geest ziet neerdalen en blijven, dat is Hem. Hij zal de mensen dopen met de Heilige Geest.'

34Nu ik dat gezien heb, ben ik ervan overtuigd dat Hij de Zoon van God is."

35De volgende morgen was Johannes op dezelfde plaats met twee van zijn discipelen.

36Hij zag Jezus voorbijgaan en zei: "Kijk, Hij is het offerlam van God!"

37Toen zijn twee discipelen dat hoorden, gingen zij Jezus achterna.

38Jezus merkte dat zij Hem volgden. Hij keerde Zich om en vroeg: "Wat willen jullie?"

39Zij vroegen: "Meester, waar woont U?"

40"Kom maar kijken", zei Hij. Dus gingen zij met Hem mee, zagen waar Hij woonde en bleven de rest van de dag bij Hem. Dit gebeurde rond vier uur 's middags.

41Een van deze twee mannen was Andreas, de broer van Simon Petrus.

42Hij ontmoette zijn broer Simon en zei tegen hem: "Wij hebben de Christus gevonden."

43En hij bracht Simon bij Jezus. Jezus keek Simon aan en zei: "Jij bent Simon, de zoon van Johannes. Jij krijgt een andere naam. Ik noem je voortaan Petrus."

44De volgende dag besloot Jezus naar Galilea te gaan. Onderweg ontmoette Hij Filippus. "Kom", zei Hij, "ga met Mij mee."

45Filippus kwam, net als Andreas en Petrus, uit Bethsaïda.

46Filippus ging naar Nathanaël en zei tegen hem: "Wij hebben de Christus gevonden, over wie Mozes en de profeten hebben geschreven. Hij heet Jezus en is de zoon van een zekere Jozef uit Nazareth."

47"Uit Nazareth? Kan daar iets goeds vandaan komen?" zei Nathanaël. "Kom maar mee", antwoordde Filippus, "dan kun je Hem zien."

48Toen Jezus Nathanaël zag aankomen, zei Hij: "Kijk, een eerlijke, oprechte man, een echte Israëliet!"

49"Kent U mij dan?" vroeg Nathanaël verbaasd. Jezus antwoordde: "Voordat Filippus je vroeg mee te gaan, zag Ik je al onder de vijgeboom zitten."

50"Meester", zei Nathanaël, "U bent de Zoon van God! De koning van Israël!"

51Jezus antwoordde: "Dat geloof je omdat Ik zei dat Ik je onder de vijgeboom zag zitten? Je zult nog grotere daden zien!

52Werkelijk, jullie zullen zelfs de hemel open zien en de engelen van God die heen en weer gaan tussen God en Mij."

Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®

Choose Translation

Switch translation for John 1.

Reading Settings

Paragraph viewDisplay verses as flowing paragraphs instead of individual lines
Show verse numbersDisplay verse numbers inline
Red letterHighlight the words of Christ in red

Sign in to save your reading preferences across sessions.