Psalms 62NLD1939

1Een psalm van David, toen hij in de woestijn van Juda vertoefde.

2God, wat verlang ik naar U; mijn God, naar U dorst mijn ziel, Naar U smacht mijn lichaam als een dor en droog land naar het water.

3Ik blik naar U op in uw heilige woning, Om uw macht en uw glorie te aanschouwen!

4Ja, uw genade is kostelijker nog dan het leven: Daarom moeten mijn lippen U loven,

5En wil ik U al mijn dagen prijzen, Mijn handen opheffen in uw Naam.

6Gij verzadigt mij als met vet en met merg, En mijn mond juicht U toe met jubelende lippen;

7Nog op mijn legerstede moet ik aan U denken, En in mijn nachtwaken over U peinzen.

8Want Gij zijt mijn Helper, Ik nestel in de schaduw uwer vleugelen;

9Mijn ziel klampt zich aan U vast, En uw rechterhand is mij een stut.

10Maar zij, die mijn ondergang zoeken, Zullen in de diepten der aarde verzinken;

11Ze vallen ten prooi aan het zwaard, En worden een buit van de jakhalzen.

12Doch de Koning zal zich verheugen in God, En wie Hem trouw zweert, zal juichen; Maar de mond van de leugenaars wordt gestopt!

Public Domain

Choose Translation

Switch translation for Psalms 62.

Reading Settings

Paragraph viewDisplay verses as flowing paragraphs instead of individual lines
Show verse numbersDisplay verse numbers inline
Red letterHighlight the words of Christ in red

Sign in to save your reading preferences across sessions.