1Van David. Tot U roep ik, HERE, mijn rots; wend U niet zwijgend van mij af, opdat ik niet, als Gij tegen mij blijft zwijgen, worde als zij die in de groeve nederdalen.
2Hoor naar mijn luide smekingen, als ik tot U roep om hulp, en mijn handen ophef naar uw binnenste heiligdom.
3Ruk mij niet weg met de goddelozen, noch met de bedrijvers van ongerechtigheid, die met hun naasten vriendelijk spreken, terwijl boosheid in hun hart is.
4Geef hun naar hun handeling en naar hun schandelijk gedrag; geef hun naar het werk van hun handen, vergeld hun naar hun doen.
5Omdat zij niet letten op de daden des HEREN noch op het werk zijner handen, zal Hij hen afbreken en hen niet opbouwen.
6Geprezen zij de HERE, want Hij heeft gehoord mijn luide smekingen.
7De HERE is mijn kracht en mijn schild; op Hem vertrouwde mijn hart en ik werd geholpen. Daarom juicht mijn hart en loof ik Hem met mijn lied.
8De HERE is hun kracht, een veste des heils is Hij voor zijn gezalfde.
9Verlos dan uw volk en zegen uw erfdeel, weid hen en draag hen tot in eeuwigheid.