Titus 1HTB2007

1Van: Paulus. Aan: Titus, mijn kind in het geloof. Ik ben een dienaar van God en een apostel van Jezus Christus. God heeft mij er op uitgestuurd om het geloof te brengen aan de mensen die door Hem zijn uitgekozen en om hun de waarheid over God te laten kennen.

2Door die waarheid leiden zij een leven naar Gods wil en ontvangen het eeuwige leven, dat God voor het begin van de wereld beloofd heeft; en Hij liegt niet. Toen God vond dat de tijd ervoor gekomen was, heeft Hij dit goede nieuws bekendgemaakt en

3mocht ik het iedereen gaan vertellen. God, onze Redder, heeft mij opgedragen dit werk voor Hem te doen.

4Ik wens je de genade en de vrede van God, de Vader, en van onze Here Jezus Christus toe.

5Ik heb je op het eiland Kreta achtergelaten om te doen wat daar nog nodig was, namelijk in de gemeente van elke stad leiders aan te stellen, die zich zullen houden aan wat ik heb gezegd.

6Op de mannen die je uitkiest, mag niets aan te merken zijn; zij mogen slechts één vrouw hebben; hun kinderen moeten de Here liefhebben en er mag niet van hen gezegd kunnen worden dat zij vrijgevochten of ongehoorzaam zijn.

7Omdat zij leiding aan de gemeente moeten geven, moeten zulke leiders een zuiver leven leiden. Zij mogen niet trots of ongeduldig zijn; zij mogen niet veel drinken en ook niet driftig of hebzuchtig zijn.

8Zij moeten hun gasten hartelijk ontvangen en al het goede liefhebben. Zij moeten ook verstandig en eerlijk zijn en bovendien geestelijk en sober.

9Hun geloof in de waarheid die hun geleerd is, moet sterk en onwrikbaar zijn. Dan zullen zij anderen kunnen bemoedigen en de tegenstanders de mond kunnen snoeren.

10Want er zijn er velen die weigeren te gehoorzamen; dat geldt in het bijzonder voor de Joden onder hen, die onzin spreken en beweren, dat christenen zich aan de Joodse wetten moeten houden. (A)

11Deze mensen moeten tot zwijgen worden gebracht; het brengt hele families in verwarring. Daar moet een einde aan komen. Dat soort leraars brengt een verkeerde leer en is alleen maar op geld uit.

12Eén van hun eigen mensen, een profeet van Kreta, heeft over hen gezegd: "De Kretenzers zijn allemaal leugenaars; zij zijn lui en denken alleen maar aan veel eten."

13Dat is waar. Pak de christenen van Kreta dan ook hard aan, zodat zij sterk worden in het geloof en

14niet langer luisteren naar Joodse fabeltjes en naar mensen die de waarheid de rug hebben toegekeerd.

15Wie zuiver van hart is, ziet in alles het goede en zuivere. Maar wie in zijn hart slecht en onbetrouwbaar is, ziet in alles het slechte; want alles wat hij ziet en hoort, wordt door zijn verkeerde gedachten en zijn opstandige hart besmet.

16Zulke mensen zeggen wel dat zij God kennen, maar uit hun doen en laten blijkt dat het niet waar is. Zij zijn door-en-door slecht en ongehoorzaam; er komt niets goeds uit hun handen.

Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®

Choose Translation

Switch translation for Titus 1.

Reading Settings

Paragraph viewDisplay verses as flowing paragraphs instead of individual lines
Show verse numbersDisplay verse numbers inline
Red letterHighlight the words of Christ in red

Sign in to save your reading preferences across sessions.