1Dit is een brief van Paulus, een dienaar van Christus Jezus. Hij heeft mij uitgekozen om Zijn apostel te zijn en overal het goede nieuws bekend te maken,
2namelijk dat God nL heeft gedaan wat Hij lang geleden door Zijn profeten in de Boeken al had beloofd.
3Het gaat over Gods Zoon, Jezus Christus, onze Here. Menselijk gezien stamt Hij van David af. Doordat Hij terugkwam uit de dood heeft de Heilige Geest bewezen dat Hij de machtige Zoon van God is.
4***
5Jezus Christus heeft mij genade gegeven en tot apostel gemaakt. Ik moet in de hele wereld mensen oproepen God te gehoorzamen en in Jezus Christus te geloven.
6U hoort daar ook bij; ook u bent geroepen om bij Jezus Christus te horen.
7Beste vrienden van God in Rome, die geroepen zijn om bij God te horen: Het is mijn diepe verlangen dat u de genade en de vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus zult ervaren.
8Om te beginnen dank ik God door Jezus Christus voor u allemaal. Want het nieuws dat u in Christus gelooft, gaat over de hele wereld.
9God weet dat ik voortdurend voor u bid. Ik dien Hem met hart en ziel en vertel de mensen het goede nieuws over Zijn Zoon.
10Telkens wanneer ik bid, vraag ik God of ik (als Hij het tenminste goed vindt) een veilige reis naar Rome mag maken om u te bezoeken.
11Ik verlang ernaar u te zien. Ik wil u zo graag iets geestelijks geven, iets waardoor u versterkt wordt.
12Of kan ik het beter zo zeggen: Ik wil graag dat u en ik door elkaars geloof bemoedigd zullen worden.
13U moet weten, broeders, dat ik vaak van plan ben geweest u te bezoeken om bij u (net als bij andere volken) mensen voor Christus te winnen. Maar tot nu toe ben ik telkens verhinderd.
14Het is namelijk mijn plicht beschaafde èn primitieve volken, ontwikkelde èn ongeletterde mensen het goede nieuws te brengen.
15Daarom verlang ik er vurig naar om, voor zover dat in mijn vermogen ligt, ook u in Rome die blijde boodschap te brengen.
16Ik schaam mij niet voor dit goede nieuws. Het is immers door de kracht van God het middel waardoor mensen die het geloven, gered worden. In de eerste plaats is dit nieuws voor de Joden, maar ook voor alle andere volken.
17Want in die blijde boodschap wordt de rechtvaardigheid van God bekendgemaakt. Dit betekent dat iedereen volkomen op Hem moet vertrouwen. De profeet Habakuk heeft immers geschreven: "De rechtvaardige zal in vertrouwen op Mij leven." (a)
18Vanuit de hemel straft God alle slechte, zondige mensen, die de waarheid niet willen accepteren.
19Want die mensen kunnen heel goed weten dat God er is. Hij heeft het hun Zelf bekendgemaakt.
20God is wel onzichtbaar, maar Zijn werk (alles wat Hij heeft geschapen) bewijst Zijn eeuwige kracht. Want sinds het ontstaan van de wereld is Zijn bestaan duidelijk te herkennen uit wat Hij gemaakt heeft. Daarom hebben de mensen geen enkele verontschuldiging.
21Hoewel de mensen in staat waren God te kennen, wilden zij Hem niet de eer geven die Hem toekomt en Hem niet eens danken voor alles wat Hij heeft gedaan. Zij hielden zich met allerlei ideeën bezig. In hun verdwazing raakten zij het spoor bijster.
22Hoewel zij dachten dat ze alles wisten, waren zij in werkelijkheid dom.
23In plaats van de eeuwige God te eren, maakten zij afgodsbeelden van sterfelijke mensen, vogels, zoogdieren en reptielen.
24Daarom liet God hen een speelbal worden van hun eigen onreine begeerten, zodat hun lichamen misbruikt en onteerd werden.
25Zij ruilden Gods waarheid in voor de leugen. Zij vereerden de dingen die God gemaakt heeft in plaats van God Zelf. Hij is toch de Maker! Hem komt alle eer toe, voor altijd en eeuwig.
26Daarom heeft God hen losgelaten en zijn hun slechte begeerten hun de baas geworden. Het is zelfs zo erg dat de vrouwen zich van een natuurlijk seksueel leven hebben afgekeerd en op tegennatuurlijke wijze met elkaar omgaan.
27En met de mannen is het al even erg. Die willen niets meer weten van een natuurlijke seksuele omgang met vrouwen, maar branden van begeerte naar elkaar. Mannen die schandelijke dingen doen met andere mannen! Zij ondervinden in hun diepste wezen de gevolgen van hun afdwalen van God.
28Omdat zij niets van God wilden weten, heeft God hen overgelaten aan alles wat in hun verdorven gedachten opkomt. Zij gaan zich te buiten aan allerlei onbehoorlijke dingen.
29Zij zitten vol onrechtvaardigheid en misdaad, vol hebzucht, kwaadaardigheid en jaloezie. Zij zijn uit op moord, ruzie, list en bedrog.
30Gemeen als ze zijn, houden zij van roddel en kwaadsprekerij. Zij haten God. Het zijn brutale, verwaande opscheppers. Ze weten altijd wel iets slechts te bedenken en zijn hun ouders ongehoorzaam.
31Zij zijn onverstandig en onbetrouwbaar, ongevoelig en genadeloos.
32Zij weten dat God dit niet kan toestaan. Want wie zoiets doet, verdient de eeuwige dood. Maar toch doen ze het. Erger nog: Zij vinden het prachtig als anderen eraan meedoen.