1Een waardevol lied van David voor de koordirigent. Te zingen op de wijs van: 'De lelie van het getuigenis.' David schreef dit leerzame gedicht nadat hij had gestreden tegen de Arameeërs van Mesopotamië en Zoba, en nadat Joab op de terugweg daarvan 12.000 Edomieten in het Zoutdal had verslagen.
2***
3O God, U hebt ons verstoten, U hebt ons uiteengescheurd. U bent toornig over ons; genees ons toch!
4U hebt het land laten trillen en scheuren. Het staat te wankelen.
5Ons volk heeft door U de vreselijkste dingen gezien; U hebt ons bedwelmd.
6Aan hen die ontzag voor U hebben, hebt U een eigen vaandel gegeven zodat zij zich kunnen verzamelen om te strijden tegen de boogschutters.
7Zo zijn Uw volgelingen gereed voor de strijd. Laat ons overwinnen, want dat hangt alleen van U af. Geef ons toch antwoord!
8God heeft vanuit Zijn heilige plaats tot ons gesproken. Ik juich van vreugde en zal Sichem verdelen. Ik ga het dal van Sukkoth opmeten.
9Gilead en Manasse zijn van mij en Efraïm is mijn helm. Juda is de staf waarmee ik regeer.
10Moab is mijn wasbak en in Edom zet ik mijn schoenen neer. Over Filistea maak ik mij vrolijk.
11Wie brengt mij naar de versterkte vesting? Wie begeleidt mij naar Edom?
12U bent het, o God, U Die ons eerst had verstoten. Wilt U, o God, optrekken met onze legers?
13Help ons tegen de vijand, want hulp van mensen stelt niets voor.
14Samen met God zullen wij dappere daden doen, want Hij vernietigt onze vijanden voor ons.