Matthew 16HTB2007

1Op een dag kwamen er Farizeeërs en Sadduceeërs naar Jezus toe om Hem op de proef te stellen. Zij vroegen Hem om een teken uit de hemel. Hij moest maar eens bewijzen dat Hij de Zoon van God was.

2Hij antwoordde: "Is de lucht 's avonds rood, dan zegt u: 'Het wordt goed weer.' Is de lucht 's morgens rood, dan zegt u: 'Het wordt slecht weer.' U ziet aan de lucht wat voor weer het wordt. Maar in wat voor tijd u leeft, daar hebt u geen inzicht in!

3***

4Dit slechte en onbetrouwbare volk wil dus een teken uit de hemel hebben. Het zal geen enkel teken krijgen dan het teken van Jona." Jezus keerde hun de rug toe en ging weg. Hij stak met Zijn discipelen het meer over.

5Aan de overkant kwamen Zijn discipelen tot de ontdekking dat zij hadden vergeten brood mee te nemen.

6"Pas op voor de gist van de Farizeeërs en Sadduceeërs", waarschuwde Jezus.

7Zij dachten dat Hij dit zei omdat zij geen brood bij zich hadden.

8Jezus wist wel wat er in hen omging en zei: "Wat hebben jullie toch weinig vertrouwen in Mij! Waarom maken jullie je zorgen over brood?

9Begrijpen jullie het dan nog niet? Zijn jullie vergeten dat Ik 5000 mensen van maar vijf broden te eten heb gegeven?

10En dat er volle manden overbleven? Weten jullie niet meer dat Ik later 4000 mensen van zeven broden te eten heb gegeven? En dat er weer heel veel overbleef?

11Waarom denken jullie dan dat Ik het zojuist over brood had? Ik waarschuwde jullie voor de gist van de Farizeeërs en Sadduceeërs!"

12Eindelijk begrepen zij dat Hij met 'gist' de leer van de Farizeeërs en Sadduceeërs bedoelde.

13Toen Jezus in Caesarea Filippi kwam, vroeg Hij Zijn discipelen: "Wie ben Ik volgens de mensen?"

14"Sommigen zeggen dat U Johannes de Doper bent", antwoordden zij. "Anderen denken dat U Elia bent. Of Jeremia of één van de andere profeten."

15"En jullie dan?" vroeg Hij. "Wat denken jullie over Mij? Wie ben Ik?"

16Simon Petrus zei: "U bent de Christus, de Zoon van de levende God."

17"Gelukkig ben jij, Simon, zoon van Jona! Mijn hemelse Vader heeft je dit persoonlijk duidelijk gemaakt. Je hebt dit niet van een mens.

18Jij bent Petrus. Op deze rots zal Ik mijn Gemeente bouwen. De poorten van het dodenrijk zullen nooit macht over haar krijgen.

19Ik zal je de sleutels geven van het Koninkrijk van de hemelen. De deuren die jij op aarde sluit, zullen in de hemel gesloten zijn. En de deuren die jij op aarde opent, zullen in de hemel geopend zijn."

20Hij verbood Zijn discipelen ten strengste iemand te vertellen dat Hij de Christus was.

21Van toen af begon Jezus Zijn discipelen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en daar verschrikkelijke dingen zou meemaken. Hij zou in de handen van de Hoge Raad vallen en gedood worden. Maar op de derde dag zou Hij weer levend worden.

22Petrus nam Hem apart om Hem terecht te wijzen. "Dat mag niet, Here", zei hij. "God zal ervoor zorgen dat U zoiets niet overkomt."

23Jezus keerde hem de rug toe en zei: "Maak dat je wegkomt, satan! Je bent een valstrik voor Mij. Jij bekijkt het van de menselijke kant en niet van Gods kant."

24Daarna zei Jezus tegen Zijn discipelen: "Wie bij Mij wil horen, moet zichzelf niet belangrijk vinden. Hij moet zijn kruis opnemen en dicht achter Mij aan gaan.

25Want wie zijn leven voor zichzelf houdt, zal het verliezen.

26Maar wie zijn leven voor Mij opgeeft, zal het terugkrijgen. Wat hebt u eraan de hele wereld te winnen en uw leven te verspelen? En wat is u meer waard dan uw leven?

27Ik zal samen met mijn engelen komen in de schitterende heerlijkheid van mijn Vader om iedereen te oordelen naar zijn daden.

28Luister, Ik zeg dat sommigen van jullie, die hier bij Mij staan, Mij nog tijdens hun leven zullen zien komen in koninklijke waardigheid."

Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®

Choose Translation

Switch translation for Matthew 16.

Reading Settings

Paragraph viewDisplay verses as flowing paragraphs instead of individual lines
Show verse numbersDisplay verse numbers inline
Red letterHighlight the words of Christ in red

Sign in to save your reading preferences across sessions.