Mark 15HTB2007

1Vroeg in de morgen kwamen de leden van de Hoge Raad bijeen om te overleggen wat hun te doen stond. Zij besloten Jezus naar Pilatus, de Romeinse gouverneur, te brengen. Enkele soldaten boeiden Hem en namen Hem mee.

2Pilatus vroeg Hem: "Bent U de koning van de Joden?" Jezus antwoordde: "U zegt het."

3De leidende priesters begonnen Hem van allerlei dingen te beschuldigen.

4"Wat hebt U op al die beschuldigingen te zeggen?" vroeg Pilatus. "Waarom geeft U geen antwoord?"

5Tot zijn verbazing bleef Jezus echter zwijgen.

6Pilatus had de gewoonte met Pasen een gevangene vrij te laten. De mensen mochten zeggen wie.

7Nu zat er een zekere Barabbas gevangen, een rebel. Hij was met enkele anderen opgepakt omdat ze bij een oproer een moord hadden begaan.

8Een grote groep mensen drong op Pilatus aan en vroeg hem een gevangene vrij te laten.

9"Moet ik de koning van de Joden loslaten?" zei hij, want hij begreep wel dat dit geen eerlijke zaak was.

10De leidende priesters hadden Jezus laten arresteren omdat zij jaloers op Hem waren.

11Zij stookten de mensen op om de vrijlating van Barabbas te eisen.

12"Maar wat moet ik dan doen met de man die jullie de koning van de Joden noemen?" vroeg Pilatus.

13"Aan het kruis met Hem!" schreeuwden zij terug.

14Pilatus vroeg: "Wat heeft Hij dan voor kwaad gedaan?" Maar zij schreeuwden nog harder: "Sla Hem aan het kruis!"

15Pilatus besloot de mensen hun zin te geven en liet Barabbas vrij. Hij gaf de soldaten bevel Jezus te geselen en weg te brengen om aan het kruis opgehangen te worden.

16Zij namen Hem mee naar de binnenplaats van de burcht en riepen het hele bataljon bijeen.

17Zij deden Hem een rode mantel om, zetten Hem een kroon van doornige twijgen op,

18salueerden en riepen: "Lang leve de koning van de Joden!"

19Daarna sloegen zij Hem met een stok op het hoofd en spuugden naar Hem. Zij deden net of zij Hem vereerden door voor Hem op de knieën te vallen.

20Nadat zij Hem bespot hadden, deden de soldaten Hem de rode mantel af, trokken Hem Zijn eigen kleren weer aan en brachten Hem weg om gekruisigd te worden.

21Simon van Cyrene (de vader van Alexander en Rufus) kwam net van het land. Hij werd gedwongen het kruis van Jezus te dragen.

22Zo brachten zij Jezus naar de plaats Golgotha. Golgotha betekent Schedelplaats.

23Daar kreeg Hij wijn met bittere kruiden om de pijn te verzachten, maar Hij weigerde die.

24Toen kruisigden zij Hem. Zijn kleren verdeelden zij onder elkaar, door erom te dobbelen.

25Dat was om negen uur 's morgens.

26Aan het kruis hing een bordje. "Koning van de Joden" stond er op. Dat was de beschuldiging.

27Tegelijk met Hem werden twee misdadigers gekruisigd, de een links en de ander rechts van Hem.

28Daarmee kwam uit wat geschreven staat: "Hij hoorde bij de misdadigers." (a)

29De mensen die voorbijkwamen, scholden Hem uit en schudden hun hoofd. "Moet je Hem zien", jouwden zij. "Hij zou toch de tempel afbreken en in drie dagen weer opbouwen?

30Red eerst Uzelf en kom van dat kruis af!"

31Ook de leidende priesters en de godsdienstleraars dreven onderling de spot met Hem. "Hij zou andere mensen redden, maar kan Zichzelf niet eens redden.

32Zeg, Christus, Koning van Israël! Laat ons eens wat zien en kom van dat kruis af! Dan zullen we in U geloven!" riepen zij. Zelfs de mannen die met Hem gekruisigd waren, maakten schampere opmerkingen.

33Om twaalf uur werd het donker in het hele land. Dat duurde een uur of drie.

34Om drie uur riep Jezus luid in het Aramees: "Eloï, Eloï, lama sabachthani?" Dit betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?

35Sommige van de mensen die stonden te kijken, zeiden: "Luister, Hij roept Elia."

36Eén van hen haalde vlug een spons met zure wijn en stak die op een stok om Hem te laten drinken. "Wacht", zei hij, "misschien haalt Elia Hem er wel af."

37Jezus gaf een schreeuw en stierf.

38Het zware gordijn in de tempel scheurde op datzelfde moment van boven naar beneden in tweeën.

39Toen de Romeinse officier, die tegenover het kruis stond, zag hoe Jezus stierf, zei hij: "Deze man was beslist een Zoon van God."

40Een aantal vrouwen stond op een afstand te kijken. Onder andere Maria van Magdala, Salomé en Maria, de moeder van de jonge Jakobus en Joses.

41Samen met vele andere vrouwen waren zij Jezus gevolgd en hadden voor Hem gezorgd in de tijd dat Hij in Galilea was. Ze waren met Hem meegekomen naar Jeruzalem.

42Tegen de avond kwam Jozef van Arimathea naar de plaats van de kruisiging. Hij was een voornaam lid van de Hoge Raad en keek persoonlijk met grote verwachting uit naar het Koninkrijk van God. Het was bijna sabbat en dan mogen de Joden niets doen. Toen ging Jozef naar Pilatus en vroeg hem om het lichaam van Jezus.

43***

44Maar Pilatus kon niet geloven dat Jezus al gestorven was. Hij liet de dienstdoende officier roepen en vroeg hem ernaar.

45Die zei dat Jezus inderdaad al was gestorven. Toen kreeg Jozef toestemming het lichaam mee te nemen.

46Jozef haalde het lichaam van het kruis af en wikkelde het in een stuk fijn linnen, dat hij had gekocht. Daarna legde hij het in een graf dat in de rotsen was uitgehouwen en rolde een grote steen voor de opening.

47Maria van Magdala en Maria, de moeder van Joses, waren meegegaan om te zien waar Jezus werd neergelegd.

Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®

Choose Translation

Switch translation for Mark 15.

Reading Settings

Paragraph viewDisplay verses as flowing paragraphs instead of individual lines
Show verse numbersDisplay verse numbers inline
Red letterHighlight the words of Christ in red

Sign in to save your reading preferences across sessions.