Judges 9HTB2007

1Op een dag ging Gideons zoon Abimélech op bezoek bij zijn ooms van moederskant in Sichem.

2"Wilt u met de burgers van Sichem gaan praten", vroeg hij hun, "en hun vragen wat zij beter vinden: Dat ze door alle zeventig zonen van Gideon zullen worden geregeerd of slechts door één man, dat wil zeggen door mij, iemand van uw eigen vlees en bloed!"

3Zijn ooms legden de burgers van Sichem Abimélechs plan voor en deze kozen Abimélech, omdat zijn moeder uit Sichem kwam.

4Zij gaven hem geld uit de tempel van de afgod Baäl-Berith. Dat gebruikte hij om een stel leeglopers en avonturiers te huren, die met hem meegingen.

5Hij nam hen mee naar zijn vaders huis in Ofra en daar vermoordden zij alle zeventig broers. Alleen de jongste broer Jotham ontsnapte aan de dood, omdat hij zich had verstopt.

6Alle inwoners van Sichem en Beth-Millo kwamen toen naar de eik bij het monument in Sichem en maakten Abimélech koning.

7Toen Jotham dit hoorde, klom hij op de berg Gerizim en schreeuwde de burgers van Sichem toe: "Als u wilt dat God u zegent, luister dan naar mij.

8Lang geleden besloten de bomen een koning te kiezen. Eerst vroegen ze de olijfboom of hij koning wilde worden, maar hij weigerde.

9'Zou ik ophouden olijfolie te produceren waar God en de mensen mij voor eren, om heen en weer te gaan wuiven boven de andere bomen?' vroeg hij.

10Toen zeiden ze tegen de vijgeboom: 'Wilt u onze koning zijn?'

11Maar de vijgeboom weigerde ook. 'Zou ik ophouden zoetigheid en lekkere vruchten te produceren, enkel en alleen om boven de andere bomen uit te steken?' vroeg hij.

12Toen gingen ze naar de wijnstok: 'U moet over ons regeren!'

13Maar de wijnstok antwoordde: 'Zou ik ophouden wijn te produceren die God en de mensen vrolijk maakt, uitsluitend om machtiger te worden dan alle andere bomen?'

14Tenslotte wendden alle bomen zich tot de doornstruik. 'U moet onze koning zijn!' riepen ze.

15En de doornstruik antwoordde: 'Als u mij werkelijk als koning wilt, ga dan in mijn schaduw zitten! Maar weigert u, dan zullen er vlammen uit mij komen, die de grote ceders van de Libanon zullen verteren!'

16Welnu, burgers van Sichem, bent u ervan overtuigd dat het goed was Abimélech koning te maken en dat u juist hebt gehandeld tegenover Gideon en zijn nakomelingen?

17Want mijn vader heeft voor u gevochten en zijn leven in de waagschaal gesteld en u verlost uit de macht van de Midianieten.

18Toch komt u nu tegen hem in opstand en hebt zijn zeventig zonen op één steen gedood. U hebt Abimélech, de zoon van zijn bijvrouw, koning gemaakt, alleen omdat hij een volksgenoot van u is.

19Als u zeker weet dat u juist hebt gehandeld tegenover Gideon en zijn nageslacht, wens ik u en Abimélech veel geluk met elkaar!

20Maar als u niet eerlijk hebt gehandeld, dan hoop ik dat Abimélech u te gronde richt en dat u Abimélech te gronde zult richten!"

21Toen vluchtte Jotham naar Beër, waar hij uit angst voor zijn halfbroer Abimélech bleef wonen.

22Nadat Abimélech drie jaar over Israël had geregeerd, stuurde God een boze geest, die moeilijkheden veroorzaakte tussen Abimélech en de burgers van Sichem, waardoor zij hem ontrouw werden.

23***

24Tijdens de gebeurtenissen die volgden, kregen zowel Abimélech als de burgers van Sichem, die samen met hem de zeventig zonen van Gideon hadden vermoord, voor deze bloedschuld hun verdiende loon.

25Dit ging als volgt: de burgers van Sichem legden hinderlagen voor Abimélech langs de weg, die over de toppen van de bergen leidt. Terwijl zij wachtten tot Abimélech voorbij zou komen, beroofden zij iedereen die langs kwam. Maar iemand waarschuwde Abimélech voor hun samenzwering.

26Intussen was Gaäl, de zoon van Ebed, met zijn broers naar Sichem getrokken en hij wist het vertrouwen van de inwoners van Sichem te winnen.

27Tijdens het oogstfeest dat jaar, dat in de tempel van de plaatselijke god werd gevierd, vloeide de wijn rijkelijk en begon iedereen Abimélech te vervloeken.

28"Wat stelt Abimélech eigenlijk voor?" betoogde Gaäl. "Waarom zou hij onze koning zijn? Waarom zouden we hèm dienen? Hij en zijn commandant Zebul zouden òns moeten dienen. Weg met Abimélech!

29Maak mij uw koning en u zult eens zien wat er met Abimélech gebeurt! Ik zou tegen Abimélech zeggen: 'Versterk uw leger en val maar aan!"

30Toen stadscommandant Zebul hoorde wat Gaäl zei, werd hij razend.

31Hij stuurde een koerier naar Abimélech in Aruma en meldde hem: "Ebeds zoon Gaäl en zijn broers zijn in Sichem gekomen en stoken de inwoners tegen u op.

32Trek 's nachts met uw leger hierheen en ga op het veld in een hinderlaag liggen.

33Bij zonsopgang moet u aanvallen. Als Gaäl en zijn mannen tegen u uittrekken, kunt u met hen doen wat u wilt."

34Zo rukten Abimélech en zijn mannen 's nachts op. Zij splitsten zich in vier groepen, die zich verdekt opstelden.

35Toen Gaäl de volgende morgen in de stadspoort stond, verlieten Abimélech en zijn mannen hun dekking en marcheerden in de richting van de stad.

36Toen Gaäl hem zag naderen, zei hij tegen Zebul: "Kijk daar eens! Komen daar geen mensen van de berg af?" "Welnee!" antwoordde Zebul. "U ziet schaduwen voor mensen aan!"

37"Nee, kijk eens goed", zei Gaäl. "Ik weet zeker dat ik mensen hierheen zie komen. En er komt ook een groep over de weg langs de Waarzeggerseik."

38Zebul keerde zich daarop triomfantelijk naar Gaäl. "Waar blijft u nu met uw grote mond?" zei hij spottend. "Wie zei ook al weer: 'Wat stelt Abimélech eigenlijk voor en waarom zou hij onze koning zijn?' Daar komen de mensen aan over wie u zo minachtend hebt gesproken! Vooruit, vecht maar tegen hen!"

39Onder aanvoering van Gaäl vochten de mannen van Sichem tegen Abimélech.

40Maar Gaäl werd verslagen en er vielen veel doden; de lijken lagen verspreid over de weg tot bij de stadspoort.

41Abimélech woonde in die tijd in Aruma en daarom verdreef Zebul Gaäl en zijn broers uit Sichem; zij mochten niet langer in de stad blijven.

42De volgende dag trokken de mannen van Sichem weer ten strijde, maar iemand had Abimélech van hun plannen op de hoogte gebracht.

43Daarom verdeelde hij zijn leger in drie groepen, die zich verdekt opstelden in het veld. Toen de mannen van Sichem uitrukten om Abimélech aan te vallen, sprongen Abimélech en zijn mannen uit hun hinderlaag tevoorschijn en sloegen hen uiteen.

44Abimélech en zijn groep snelden naar de stadspoort om de mannen van Sichem de terugtocht af te snijden, terwijl de twee andere groepen degenen die al buiten de stad waren, neersloegen.

45Er moest de hele dag worden gevochten voordat Abimélech eindelijk de stad kon innemen. Toen doodde hij de hele bevolking en maakte de stad met de grond gelijk. Zij strooiden overal zout.

46De burgers van het nabijgelegen Sichem-Toren hoorden wat er was gebeurd en zochten hun toevlucht in de kelders van de tempel van de afgod Berith.

47Toen Abimélech dit hoorde, leidde hij zijn troepen naar de berg Zalmon, begon daar met een bijl boomtakken af te kappen en legde de takkenbos op zijn schouder. "Jullie hebben gezien wat ik deed", zei hij tegen zijn mannen. "Doe nu vlug hetzelfde."

48***

49Al zijn mannen hakten snel een bos takken af en droegen die naar de stad. Daar gooiden ze alle takken op de kelders en staken die in brand. Zo kwamen alle mensen, die binnen zaten, om; ongeveer 1000 mannen en vrouwen.

50Daarna viel Abimélech de stad Tebez aan en nam die in.

51Midden in de stad stond een versterkte toren en alle inwoners vluchtten daarin. Ze deden de deuren achter zich op slot en klommen op het platte dak om uit te kijken.

52Abimélech drong door tot de ingang van de toren en stond op het punt de toren in brand te steken,

53toen een vrouw de bovenste van een paar molenstenen van het dak naar beneden gooide, boven op Abimélechs hoofd! Zijn hele schedel werd verbrijzeld.

54"Gauw, gauw", kreunde hij tegen zijn wapendrager, "Dood mij! Laat nooit iemand kunnen zeggen dat Abimélech door een vrouw is gedood!" Toen doorstak de wapendrager hem met zijn zwaard en Abimélech stierf.

55Toen zijn mannen zagen dat hun aanvoerder dood was, gaven ze de strijd op en gingen naar huis.

56Zo strafte God zowel Abimélech als de burgers van Sichem voor de moord op Gideons zeventig zonen. Zo werd ook de vervloeking van Gideons zoon Jotham werkelijkheid.

57***

Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®

Choose Translation

Switch translation for Judges 9.

Reading Settings

Paragraph viewDisplay verses as flowing paragraphs instead of individual lines
Show verse numbersDisplay verse numbers inline
Red letterHighlight the words of Christ in red

Sign in to save your reading preferences across sessions.