Genesis 35HTB2007

1Daarna zei God tegen Jakob: "Breek uw kamp op, ga naar Bethel en vestig u daar. Bouw daar een altaar ter ere van de God, Die aan u verscheen toen u op de vlucht was voor uw broer Esau."

2Jakob beval ieder lid van zijn huishouding de afgodsbeeldjes, die zij hadden meegebracht, weg te doen. Iedereen moest zich wassen en schone kleren aantrekken.

3"Want we gaan naar Bethel", legde hij uit. "Ik zal daar een altaar bouwen voor de God, Die mijn gebeden verhoorde in moeilijke tijden en Die bij mij is geweest tijdens deze reis."

4Allen gaven Jakob hun afgodsbeeldjes en oorringen en hij begroef ze onder de eik bij Sichem.

5Daarna trokken zij verder. De vrees voor God lag over alle steden die zij passeerden, zodat niemand hen durfde te achtervolgen.

6Tenslotte kwamen zij bij Luz (ook Bethel genoemd) in Kanaän.

7Jakob bouwde daar een altaar en noemde het El-Bethel (Altaar voor de God, Die bij Bethel aan mij is verschenen), want dat was de plaats waar God aan hem verscheen, toen hij op de vlucht was voor Esau.

8Kort hierna stierf Debora, de oude voedster van Rebekka. Zij werd onder de eik in het dal beneden Bethel begraven. Die eik heette voortaan 'Eik van het verdriet'.

9Toen Jakob in Bethel aankwam, op zijn reis vanuit Paddan-Aram, verscheen God opnieuw en zegende hem.

10En God zei: "U zult niet langer Jakob (Bedrieger) worden genoemd, maar Israël (Hij, die overwint met God).

11Ik ben God, de Almachtige; Ik zal u vruchtbaar maken en u tot een groot volk, ja, tot vele volken maken. Er zullen veel koningen onder uw nakomelingen zijn.

12Ik zal u het land geven dat Ik ook aan Abraham en Isaäk heb gegeven. Ja, Ik zal het aan u en uw nakomelingen geven."

13Na die woorden zette Jakob op de plaats, waar God aan hem was verschenen, een gedenksteen neer en goot er wijn overheen als een offer aan God. Daarna goot hij er olijfolie overheen.

14***

15Jakob noemde die plaats Bethel (Huis van God), omdat God daar met hem had gesproken.

16Na het vertrek uit Bethel reisden Jakob en zijn huishouding naar Efrath (Bethlehem). Maar onderweg kreeg Rachel weeën, het begin van een moeilijke bevalling.

17Na de pijnlijke geboorte riep de vroedvrouw uit: "Prachtig, u hebt weer een zoon!"

18En met haar laatste woorden (want zij stierf) noemde Rachel het kind Ben-oni (Zoon van mijn pijn), maar zijn vader noemde hem Benjamin (Zoon van mijn Rechterhand).

19Zo stierf Rachel en zij begroeven haar langs de weg naar Efrath (Bethlehem).

20Jakob zette een stenen monument op haar graf, dat daar tot op heden staat.

21Israël zette de reis voort en sloeg zijn kamp op bij de Toren van Eder.

22Daar sliep Ruben met Bilha, zijn vaders bijvrouw, en iemand vertelde dat aan Israël.

23Dit zijn de namen van de twaalf zonen van Jakob: de zonen van Lea: Ruben, Jakobs oudste kind, Simeon, Levi, Juda, Issaschar en Zebulon.

24De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.

25De zonen van Bilha, Rachels dienares: Dan en Naftali.

26De zonen van Zilpa, Lea's dienares: Gad en Aser. Al deze zonen kreeg Jakob in Paddan-Aram.

27Zo kwam Jakob dan eindelijk aan bij zijn vader Isaäk te Mamre in Kirjath-Arba (tegenwoordig Hebron), waar ook Abraham had gewoond.

28Korte tijd later stierf Isaäk. Hij was 180 jaar oud. Zijn zonen Esau en Jakob begroeven hem.

Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®

Choose Translation

Switch translation for Genesis 35.

Reading Settings

Paragraph viewDisplay verses as flowing paragraphs instead of individual lines
Show verse numbersDisplay verse numbers inline
Red letterHighlight the words of Christ in red

Sign in to save your reading preferences across sessions.