2 Samuel 23HTB2007

1Hier volgen de laatste woorden van David: "David, de zoon van Isaï, spreekt. David, de man die door God werd grootgemaakt. David, de gezalfde van de God van Jakob. David, de lieflijke psalmist van Israël:

2De Geest van de HERE sprak door mij en Zijn woord lag op mijn tong.

3De Rots van Israël zei tegen mij: 'Er zal iemand komen, die rechtvaardig heerst en regeert met heilig ontzag voor God.

4Hij zal zijn als het morgenlicht, een wolkeloze dageraad, als de zonneschijn na de regen, waarna het tere gras uit de aarde omhoog springt.'

5Is het niet waar dat het zo met mijn nageslacht zal gaan? Ja, want God heeft een eeuwig verbond met mij gesloten; Zijn overeenkomst is eeuwig en voor altijd bezegeld. Hij zal Zich steeds blijven bekommeren om mijn veiligheid en heil.

6Maar de goddelozen zijn als dorens die worden weggegooid, want zij beschadigen de hand die hen aanraakt.

7Men moet gereedschap hebben om ze op te ruimen; zij zullen worden verbrand."

8Dit zijn de namen van de dapperste helden uit Davids leger: de eerste was de Eskiet Adino, een inwoner van de stad Schebeth van de Tachkemonieten. Eens doodde hij tijdens een gevecht in zijn eentje 800 mannen.

9Na hem kwam Eleazar, de zoon van Dodo en een kleinzoon van een Ahohiet. Hij was één van de drie mannen, die samen met David de Filistijnen tegenhielden toen de rest van het leger op de vlucht sloeg.

10Hij doodde de Filistijnen tot zijn hand te moe was om een zwaard vast te houden en de HERE gaf die dag een grote overwinning. De rest van het leger kwam pas terug toen de buit moest worden binnengehaald!

11Na hem volgde Samma, de zoon van de Harariet Age. Eens, tijdens een Filistijnse aanval waarbij al zijn mannen er vandoor gingen, hield hij alleen stand op een stuk bouwgrond en sloeg de Filistijnen terug. God gaf ook door hem een grote overwinning.

12***

13Toen David in de grot van Adullam verbleef en het invasieleger van de Filistijnen zich in het dal van Refaïm bevond, gingen drie van de dertig hoogste officieren van het Israëlitische leger in de oogsttijd naar hem toe om hem een bezoek te brengen.

14David was op dat moment in de vesting op de berg, want Filistijnse stoottroepen hadden kort daarvoor het dichtbijgelegen Bethlehem ingenomen.

15David zei: "Ik heb zin in een beker helder water uit de stadsput in Bethlehem." Die put lag vlakbij de stadspoort.

16Daarop braken de drie mannen door de Filistijnse linies heen, haalden water uit de put en brachten het naar David. Maar hij wilde er niet van drinken! In plaats daarvan goot hij het op de grond voor de HERE.

17"Nee, mijn God", riep hij uit, "ik kan onmogelijk van dit water drinken! Dit is het bloed van de mannen, die hun leven hebben gewaagd."

18Van deze drie mannen was Abisaï, de broer van Joab en een zoon van Zeruja, de grootste. Eens versloeg hij helemaal alleen 300 vijanden en doodde hen allemaal. Door dergelijke daden kreeg hij eenzelfde reputatie als de eerdergenoemde drie helden, ook al maakte hij geen deel van hen uit. Maar wel was hij de belangrijkste man van de dertig hoogste legerofficieren en tevens hun leider.

19***

20Verder was er dan nog Benaja, de zoon van Jojada, een moedige soldaat uit Kabzeël. Benaja doodde twee helden (A) uit het leger van Moab. Een andere keer liet hij zich in een kuil zakken, waarin een leeuw terecht was gekomen. Hoewel er sneeuw lag en alles glad was, doodde hij de leeuw.

21Weer een andere keer bond hij, slechts gewapend met een stok, de strijd aan met een Egyptenaar die een speer had. Hij wrong de speer uit de handen van de Egyptenaar en doodde hem met zijn eigen wapen.

22Dit waren enkele wapenfeiten, die Benaja bijna net zo beroemd maakten als de drie eerstgenoemden, tot wie hij echter niet gerekend werd.

23Ook hij was één van de grootsten onder de dertig officieren. David benoemde hem tot hoofd van zijn lijfwacht.

24Joabs broer Asaël hoorde ook bij de dertig officieren. Anderen waren: Elhanan, de zoon van Dodo uit Bethlehem;

25Samma uit Harod; Elika uit Harod;

26Helez uit Palti; Ira, de zoon van Ikkes uit Tekoa;

27Abiëzer uit Anathot; de Husathiet Mebunnai; de Ahohiet

28Zalmon; de Netofathiet Maharai;

29Heleb, de zoon van de Netofathiet Baäna; Ittai, de zoon van Ribai uit Gibea, van de stam van Benjamin;

30de Pirathoniet Benaja; Hiddai uit de dalen van Gaäs;

31de Arbathiet Abialbon; Azmaveth uit Bahurim;

32de Saälboniet Eljahba; de zonen van Jasen waaronder Jonathan;

33de Harariet Samma; Ahiam, de zoon van de Harariet Sarar;

34Elifelet, de zoon van Ahasbai uit Maächa; Eliam, dezoon van Achitofel uit Gilo;

35Hezrai uit Karmel; Paërai uit Arba;

36Jigal, de zoon van Nathan uit Zoba; Bani uit Gad;

37de Ammoniet Zelek; Naharai uit Beëroth, de wapendrager van Joab;

38de Jethrieten Ira en Gareb

39en tenslotte de Hethiet Uria; 37 (b) in totaal.

Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®

Choose Translation

Switch translation for 2 Samuel 23.

Reading Settings

Paragraph viewDisplay verses as flowing paragraphs instead of individual lines
Show verse numbersDisplay verse numbers inline
Red letterHighlight the words of Christ in red

Sign in to save your reading preferences across sessions.