1Josafat werd na zijn dood begraven op de koninklijke begraafplaats in Jeruzalem en zijn zoon Joram werd de nieuwe koning van Juda.
2Diens broers (de andere zonen van Josafat) waren Azaria, Jehiël, Zecharja, Azarjahu, Michaël en Zefatja.
3Hun vader had ieder van hen aanzienlijke geschenken in zilver, goud en andere kostbaarheden nagelaten en bovendien het eigendomsrecht van enkele versterkte steden in Juda. Het koningschap droeg hij echter over aan Joram, omdat die de oudste was. Toen Joram echter stevig in het zadel zat, liet hij al zijn broers en een groot aantal leiders van Israël doden.
4***
5Bij zijn troonsbestijging was hij 32 jaar en hij regeerde acht jaar vanuit Jeruzalem.
6Maar hij was net zo goddeloos als de koningen die over Israël regeerden. Zelfs net zo goddeloos als Achab, want Joram was getrouwd met één van de dochters van Achab en zijn hele leven was een aaneenschakeling van goddeloze daden.
7De HERE wilde echter geen einde maken aan het koningshuis van David, want Hij had tenslotte een verbond gesloten met David, waarbij Hij had beloofd dat altijd één van zijn nakomelingen op de troon zou zitten.
8In die tijd kwam de koning van Edom in opstand en verklaarde zich onafhankelijk van Juda.
9Joram ging er met zijn hele leger en al zijn strijdwagens op af en bracht de Edomieten, die hem en zijn strijdwagens hadden omsingeld, een pijnlijke slag toe.
10Toch is Edom tot op de dag van vandaag erin geslaagd de onderdrukking van Juda van zich af te houden. Ook Libna kwam in opstand omdat Joram zich had afgekeerd van de HERE, de God van zijn voorouders.
11En wat nog erger was, Joram bouwde afgodentempels in de heuvels van Juda en verleidde de inwoners van Jeruzalem zijn slechte voorbeeld te volgen en afgoden te vereren.
12De profeet Elia schreef hem toen de volgende brief: "De HERE, de God van uw voorvader David, zegt dat u de goede wegen van uw vader Josafat en koning Asa niet hebt gevolgd.
13Dat u net zo goddeloos bent geweest als de koningen van Israël, dat u ervoor hebt gezorgd dat de inwoners van Juda en Jeruzalem afgoden vereren net als in de tijd van koning Achab en dat u uw broers hebt gedood, die beter waren dan u.
14Daarom zal de HERE uw volk verwoesten door een grote plaag. U, uw kinderen, uw vrouwen en alles wat u bezit, zullen worden vernietigd.
15U zult worden gestraft met een ziekte aan de ingewanden. Door deze jarenlange ziekte zullen uiteindelijk uw ingewanden uit uw lichaam puilen."
16De HERE zette toen de Filistijnen en de Arabieren, die naast de Ethiopiërs woonden, op tegen Joram.
17Zij zetten de aanval in op Juda, braken door de grenslinies en maakten alle waardevolle voorwerpen uit het paleis buit, evenals zijn zonen en zijn vrouwen. Alleen zijn jongste zoon Joahaz ontkwam.
18Hierna sloeg de HERE hem neer met de ongeneeslijke ingewandsziekte.
19Twee jaar later kwamen als gevolg van die ziekte zijn ingewanden naar buiten en stierf hij onder vreselijke pijnen. Bij zijn begrafenis staken zijn onderdanen geen vuur voor hem aan, wat zij voor vroegere koningen wel hadden gedaan.
20Joram was 32 jaar toen hij koning werd en regeerde acht jaar in Jeruzalem. Niemand rouwde om hem na zijn dood. Hij werd begraven in Jeruzalem, maar niet op de koninklijke begraafplaats.