9Het brood zal door Aäron en zijn zonen worden gegeten op een heilige plaats. Want dit zijn brandoffers voor de Here volgens een eeuwige wet van God, zij zijn allerheiligst.’
10Op een dag raakte een jongeman, wiens moeder Israëlitische en vader Egyptenaar was, in het kamp in gevecht met een van de mannen van Israël.
11Tijdens het gevecht lasterde de zoon van de Egyptenaar de naam van God en hij werd voor Mozes gebracht om te worden berecht. Zijn moeder heette Selomit, zij was de dochter van Dibri, uit de stam Dan.
12De jongeman werd gevangen gezet in afwachting van Gods beslissing over hem.
17Ook alle moordenaars moeten ter dood worden gebracht.
18Maar ieder die een dier doodt, moet dat vergoeden.
19De straf op het toebrengen van lichamelijk letsel is dat de dader hetzelfde letsel wordt toegebracht,
20breuk om breuk, oog om oog, tand om tand. Wat iemand een ander aandoet, zal ook hem worden aangedaan.
21Wie een beest doodt, moet het vergoeden en wie een mens doodt, moet ter dood worden gebracht.
22U zult dezelfde wet hanteren voor de buitenlander en de geboren Israëliet, want Ik ben de Here, uw God.’
23Dus brachten zij de jongeman buiten het kamp en stenigden hem daar tot hij dood was, zoals de Here het Mozes had opgedragen.