1Op deze klacht antwoordde Elifaz uit Teman:
2‘Kun je het verdragen als iemand in deze situatie tegen je spreekt? Maar wie zou nu kunnen zwijgen?
5Maar nu de tegenslagen jou treffen, ben je verdrietig en geef je de moed op.
6Moet jij in een tijd als deze niet juist steun zoeken bij God en op Hem vertrouwen? Heb je dan niets aan het geloof dat God de oprechte mens helpt?
9Door Gods adem worden zij uit dit leven weggevaagd.
10Hoewel zij brullen als jonge leeuwen, zullen zij worden gebroken en vernietigd.
11De leeuw komt om door gebrek aan prooi en de welpen van de leeuwin worden verspreid en verdwalen.
12Er werd mij in het geheim iets toevertrouwd, als het ware in mijn oor gefluisterd.
15Een adem streek langs mijn gezicht, de wind deed mij huiveren.
16Hij stond stil, maar ik kon hem niet goed zien en ik hoorde een gedempte stem zeggen:
17“Is een gewone sterveling rechtvaardiger dan God? Reiner dan zijn Schepper?”
20ʼs Morgens leven zij, maar ʼs avonds zijn zij al dood. Voor altijd verdwenen, zonder dat ook maar iemand een gedachte aan hen schenkt.
21Hun levensdraad wordt doorgeknipt en zij sterven zonder iets bij het leven gewonnen te hebben.’